Zoeken
Zoeken

Bekijk tijdlijn

Leenstelsel

Het ontstaan van Holland – deel 4
In het grote Frankische rijk kon de koning zijn vertrouwelingen niet meer altijd om hem heen hebben. Bovendien had hij ook betrouwbare mensen nodig die stukjes van zijn rijk voor hem konden besturen als hij ergens anders was. De koning ging zijn volgelingen niet alleen belonen met mooie spullen, maar ook met land. Soms werd een vertrouweling dan eigenaar van het stukje land en mocht hij er mee doen wat hij wilde. Maar vaker kreeg hij het stukje 'in leen': hij had recht op de inkomsten die het land opleverde, maar hij mocht het land bijvoorbeeld niet weggeven of verkopen aan iemand anders, en als hij stierf, dan ging het land terug naar de koning. Het belangrijkste van de inkomsten was de oogst.
Zo'n stukje land noemen we een 'leen'. Maar ook andere zaken konden in leen gegeven worden, bijvoorbeeld een ambt, zoals het ambt van graaf, of een belasting. De heer die het leen gaf, wordt een leenheer genoemd, en de persoon die het stukje krijgt, is een leenman. Een andere naam voor een leenman is ook wel 'vazal'. Een leenman en leenheer waren trouw aan elkaar. De leenman moest trouw zweren aan zijn heer en deze met 'raad en daad' bijstaan: ze moesten de koning advies geven als hij erom vroeg, en als er oorlog was, moesten ze zorgen voor soldaten en meevechten met de koning. Als ze zelf aangevallen werden, dan moest de koning hen ook komen helpen. Deze trouw tussen de edelen was heel belangrijk: de koning kon eigenlijk niet controleren of een edelman zijn taak wel goed uitvoerde en zich aan de afspraken hield. Hij had alleen het woord van de edelman.

Een leenman belooft trouw aan zijn leenheer. Afbeelding Wikimedia Commons.