Zoeken
Zoeken

Bekijk tijdlijn

Drie standen

In de Middeleeuwen werd de West-Europese samenleving ingedeeld in drie groepen mensen. Die groepen worden ook wel standen genoemd.

De eerste en belangrijkste stand was de geestelijkheid: monnikenMan die in een klooster leeft en zich volledig richt op God., nonnenVrouw die in een klooster leeft en zich volledig richt op God., priestersEen geestelijke die voor contact tussen de mensen en God zorgt. en bisschoppenBestuurder van een gebied van de kerk. Dat gebied wordt een bisdom genoemd.. De adelMensen die grond bezitten en speciale voorrechten hebben. vormde de tweede stand: graven, hertogen, prinsen en koningen. Tot de derde stand behoorden de vrije boeren en later ook de burgers, die in steden woonden.

De standen hadden onderling wel contact, maar je kon niet zomaar van de ene stand naar de andere opklimmen. Het 'gemakkelijkst' kon je in de eerste stand terechtkomen, bijvoorbeeld door in het kloosterEen plaats waar monniken of nonnen samenleven afgezonderd van de gewone mensen om zich geheel aan de godsdienst te wijden. Kloosters speelden een belangrijke rol bij de verspreiding van het christendom. te gaan of je tot priester te laten wijden. Je moest dan wel kunnen lezen en schrijven, iets wat niet veel mensen onder de knie hadden in de Middeleeuwen.